vrijdag 18 mei 2012

College Marcel 3


In dit college hebben we het boek ‘Morele intuitie’ met elkaar besproken.
In dit boek ging het over de intuitie van het kind. Welke aangeboren zijn en welke aangeleerd worden. De ouders leren het kind vanaf de geboorte normen en waarden aan. Deze normen en waarden gebruikt het in elke situatie waar het in terecht komt.  Morele waarden zijn: vrijheid, eerlijkheid, eerbied, handeling, toestand en beoordelen. Door de morele waarden die ze hebben mee gekregen handelen de kinderen op intuitie. De 3 burgerschap waarden vrijheid, tolerantie en solidariteit werken mee aan de vormen van de ideale wereldburger. De morele waarden zijn hiervan een belangrijke aanvulling op het creëren van deze ideale burger.
Kinderen leren de normen en waarden door hun ouders  maar krijgen ook veel mee van andere volwassenen in de omgeving. Er zijn 3 stappen tot normen en waarden aan leren.
1.       Leren/weten dat er normen en waarden zijn
2.       Hoe vorm te geven aan normen en waarden
3.       Normen en waarden kunnen uitleggen (emoties)
Heeft een kind weinig eigen waarden en normen geeft dat in de meeste gevallen aan dat het kind mee loopt met andere kinderen. Deze kinderen hebben moeite met het moreel handelen.
Als individueel persoon ben je verantwoordelijk voor je eigen keuzes. Hierbij kan je geweten in sommige gevallen veel last geven. Door toevallige factoren en opvoeding, worden situaties uit de geschiedenis terug gekoppeld naar heden.

De functies van het geweten is het onderscheiden tussen goed en kwaad. Deze functie wordt onderverdeeld in meerdere functies. We spreken dan over de regulerende functie deze weegt de belangen af die zich voordoen in de situatie. De beschermende functie deze zorgt voor een barrière voor ongewenste situaties. De laatste is de activerende functie deze maakt dat er wordt aangezet tot acties door gevoelens.

In de ontwikkelingslijn van het kind zijn 2 stadia heteronomie = afhankelijk en autonomie = zelfstandig. Kinderen van 0 tot 5/6 jaar zijn afhankelijk(heteronomie) van de ouder bijvoorbeeld voor het maken van eten, drinken klaar maken en aanleren van zindelijkheidsvaardigheden. Aan het stadia autonomie om zelfstandig te kunnen functioneren, moeten de volgende aspecten aanwezig zijn: veiligheid en geborgenheid, regelmaat en zelfdiscipline, zelfvertrouwen, positief realistisch zelfbeeld, empatische gevoelens en sociaal perspectief, plichtemoties, goede gewoonten, praktische wijsheid, geweten en verantwoordelijkheid.
Het kind maakt verschillende ontwikkeling mee van baby tot puberteit . Deze hebben de volgende namen: verleiden(baby), confronteren(peuter), inwijden(kleuter), verankeren(jonge schoolkind), verscherpen(oudere schoolkind). De laatste 3 ontwikkelingsfases gaan mee met de fases die plaatsvinden op het basisonderwijs.
Nou zijn er meerdere psychologen geweest die verschillende onderzoeken hebben gedaan tot de ontwikkelingsfases van het kind.

Ik ben het wel eens met de theorieën van Kohlberg.

Naar welke theorieën gaan jou voorkeur uit?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten