In dit college hebben we het boek ‘Morele intuitie’ met
elkaar besproken.
In dit boek ging het over de intuitie van het kind. Welke
aangeboren zijn en welke aangeleerd worden. De ouders leren het kind vanaf de
geboorte normen en waarden aan. Deze normen en waarden gebruikt het in elke
situatie waar het in terecht komt. Morele
waarden zijn: vrijheid, eerlijkheid, eerbied, handeling, toestand en beoordelen.
Door de morele waarden die ze hebben mee gekregen handelen de kinderen op
intuitie. De 3 burgerschap waarden vrijheid, tolerantie en solidariteit werken
mee aan de vormen van de ideale wereldburger. De morele waarden zijn hiervan
een belangrijke aanvulling op het creëren van deze ideale burger.
Kinderen leren de normen en waarden door hun ouders maar krijgen ook veel mee van andere
volwassenen in de omgeving. Er zijn 3 stappen tot normen en waarden aan leren.
1. Leren/weten
dat er normen en waarden zijn
2. Hoe
vorm te geven aan normen en waarden
3. Normen
en waarden kunnen uitleggen (emoties)
Heeft een kind weinig eigen waarden en normen geeft dat
in de meeste gevallen aan dat het kind mee loopt met andere kinderen. Deze kinderen
hebben moeite met het moreel handelen.
Als individueel persoon ben je verantwoordelijk voor je
eigen keuzes. Hierbij kan je geweten in sommige gevallen veel last geven. Door
toevallige factoren en opvoeding, worden situaties uit de geschiedenis terug
gekoppeld naar heden.
De functies van het geweten is het onderscheiden tussen
goed en kwaad. Deze functie wordt onderverdeeld in meerdere functies. We spreken
dan over de regulerende functie deze weegt de belangen af die zich voordoen in
de situatie. De beschermende functie deze zorgt voor een barrière voor
ongewenste situaties. De laatste is de activerende functie deze maakt dat er
wordt aangezet tot acties door gevoelens.
In de ontwikkelingslijn van het kind zijn 2 stadia heteronomie
= afhankelijk en autonomie = zelfstandig. Kinderen van 0 tot 5/6 jaar zijn
afhankelijk(heteronomie) van de ouder bijvoorbeeld voor het maken van eten,
drinken klaar maken en aanleren van zindelijkheidsvaardigheden. Aan het stadia autonomie
om zelfstandig te kunnen functioneren, moeten de volgende aspecten aanwezig
zijn: veiligheid en geborgenheid, regelmaat en zelfdiscipline, zelfvertrouwen,
positief realistisch zelfbeeld, empatische gevoelens en sociaal perspectief,
plichtemoties, goede gewoonten, praktische wijsheid, geweten en
verantwoordelijkheid.
Het kind maakt verschillende ontwikkeling mee van baby
tot puberteit . Deze hebben de volgende namen: verleiden(baby), confronteren(peuter),
inwijden(kleuter), verankeren(jonge schoolkind), verscherpen(oudere schoolkind).
De laatste 3 ontwikkelingsfases gaan mee met de fases die plaatsvinden op het
basisonderwijs.
Nou zijn er meerdere psychologen geweest die verschillende
onderzoeken hebben gedaan tot de ontwikkelingsfases van het kind.
Ik ben het wel eens met de theorieën van Kohlberg.
Naar welke theorieën gaan jou voorkeur uit?
Geen opmerkingen:
Een reactie posten